1 – Flitsen met een trage synchronisatietijd

 

In het vorige hoofdstuk heb je geleerd dat flitsfoto’s bestaan uit twee lichtbronnen, namelijk die van het flitslicht en van het aanwezige omgevingslicht. Het flitslicht belicht het onderwerp, de instelling van de camera zorgt voor de belichting van de achtergrond.

De vorige oefeningen heb je uitgevoerd in een situatie met een grote hoeveelheid omgevingslicht. Zo kon je desgewenst een correct belichte achtergrond maken. Door de grote hoeveelheid aanwezig licht was het mogelijk om te fotograferen (en flitsen) met een redelijk snelle sluitertijd. Daarmee voorkwam je bewegingsonscherpte. Maar omgevingslicht is niet altijd in ruime mate aanwezig. Denk maar aan het geringe licht in donkere ruimtes of het avondlicht.

Bij de volgende twee afbeeldingen, gefotografeerd in een donkere omgeving, zie je de verschillen tussen een snelle en trage sluitertijd.

slow-speed-sync-1

Stel, het is begin van de avond en het gaat schemeren. Je moet een foto maken maar er is weinig omgevingslicht meer. Je kan of wil geen statief gebruiken. Om bewegingsonscherpte te voorkomen zet je de sluiter op 1/60sec (eerste foto). Hoewel je een scherpe foto krijgt is de achtergrond vrij donker geworden omdat deze is onderbelicht. Om toch meer van het omgevingslicht op de achtergrond te zien zet je de sluiter op 1/8sec (tweede foto). Het kan echter bewegingsonscherpte veroorzaken als je met 1/8sec uit de hand fotografeert (zonder statief). In dit geval is dat niet gebeurd omdat de fietsen niet bewegen. Maar wat nu als het onderwerp wel beweegt?

 

slow-speed-sync

Eerste foto: F5.6 – 1/60sec – 400ISO – 24mm — Tweede foto: F5.6 – 1/4sec – 400ISO – 24mm – De eerste foto is hoofdzakelijk belicht door de flitser. Omdat de sluiter heel kort open staat is de sensor van je camera niet in staat om het aanwezige licht toe te laten. Dientengevolge is de achtergrond onderbelicht. Anderzijds, de snelle sluitertijd was snel genoeg om bewegingsonscherpte te voorkomen. Bij de tweede foto is de sluiter van 1/60 naar 1/4 sec gewijzigd. De zanger wordt belicht door het flitslicht. Nadat de flitser zijn licht heeft afgevuurd, blijft de sluiter open staan om het omgevingslicht toe te laten op de sensor. De achtergrond wordt niet belicht door het flitslicht maar door het aanwezige kunstlicht. Omdat de sluiter lang genoeg open staat is de sensor in staat om dit licht toe te laten. Het is niet nodig om een statief te gebruiken. De beweging van de zanger wordt namelijk bevroren door het flitslicht.

 

Invulflitsen-12

F 4 – 2sec – 200ISO – 14mm. Bij het flitsen met een trage synchronisatie ontsteekt de flitser direct nadat de sluiter volledig open is. Nadat het flitslicht is afgegeven blijft de sluiter openstaan om het aanwezige omgevingslicht te ‘absorberen’ op de sensor. Wanneer het beeld op de voor- en achtergrond volgens de automatische lichtmeter van de camera voldoende is belicht, kan de sluiter weer dicht. Omdat bij opnames in donkere ruimtes of bij avondopnames het omgevingslicht gering is, duurt het langer om het omgevingslicht te absorberen dan wanneer je fotografeert in het zonlicht.

 

Bewegingsonscherpte-14

F4.5 – 1/20sec – 400ISO – 35mm Fotografie: Huub Claessens. Het verschil met de foto van de fietsen en het stel met de stadslichten op de achtergrond is dat op deze foto het hoofdonderwerp beweegt. Er wordt met de krant gewapperd. Daardoor ontstaat er bewegingsonscherpte, maar alleen van dat onderdeel in de foto.

 

Invulflitsen-10

F8 – 1sec – 200ISO – 22mm. Het moment waarop de bruidegom de camera in kijkt is tijdens het begin van de opname; de ontspanknop wordt ingedrukt, het flitslicht wordt afgegeven en hij wordt daardoor enigszins bevroren afgebeeld. Tijdens het tweede deel van de opname, dat is de tijdsduur na de flitsafgifte en de periode dat de sluiter openstaat om het omgevingslicht te absorberen, draait de bruidegom zijn hoofd richting de muzikant. In die periode is de bewegingsonscherpte ontstaan.

 

 

Indirect-flitsen-1

F4 – 1/6sec – 100ISO – 50mm. Deze foto is belicht met de TTL flitsmodus en de flitskop is omhoog gekanteld naar het plafond. Hier is bewust gekozen voor het creëren van bewegingsonscherpte. Door een trage sluitertijd in te stellen wordt de beweging van de neerdwarrellende rozenblaadjes zichtbaar.

 

De moeilijkheid bij flitsen met een trage synchronisatietijd

In een aantal situaties is het interessanter om te fotograferen met een trage synchronisatietijd om met opzet bewegingsonscherpte te creëren. Maar er zijn uiteraard ook situaties denkbaar waarbij je bewegingsonscherpte juist wilt vermijden. Is dat het geval, bijvoorbeeld bij een trouwceremonie in een ruimte waar weinig licht is, kun je zowel een foto met een trage tijd als met een snelle tijd maken. De snelle sluitertijd zorgt voor een onderbelichte achtergrond maar het voordeel is dat je geen bewegingsonscherpte van je onderwerp hebt.
Laten we de volgende twee foto’s een bekijken.

slow-speed-sync-2

Deze twee afbeeldingen zijn direct na elkaar gemaakt en zowel de eerste als de tweede foto is belicht met de flitser. Alhoewel beide foto’s de bruid en haar vader op de voorgrond correct hebben belicht met de flitser, zien de foto’s er verschillend uit. De eerste foto is gemaakt met een trage sluitertijd van 1/10sec en heeft daarmee het omgevingslicht op de achtergrond geabsorbeerd op de sensor. Echter hier is de bewegingsonscherpte niet meer acceptabel. De tweede foto is met een snelle sluitertijd gemaakt van 1/60sec. Hierdoor is bewegingsonscherpte voorkomen, maar de achtergrond is met enkele stops onderbelicht. De tweede foto is in feite wel gelukt maar omdat de achtergrond in het zwart wegvalt is het beeld minder aantrekkelijk geworden. Het enige verschil tussen beide foto-opnames is dat de eerste foto met een trage sluitertijd is gemaakt terwijl de tweede foto is belicht met een snelle sluitertijd. Dit laatste is er de oorzaak van dat de achtergrond is onderbelicht.

 

Door bij belangrijke en unieke gebeurtenissen een foto te maken met een snelle sluitertijd en direct daarna een foto met een trage sluitertijd vermijd je het risico op bewegingsonscherpte. De kans is aanwezig dat beide foto’s zullen lukken, maar het is net zo goed mogelijk dat de flitsfoto met de trage sluitertijd mislukt. Het lijkt misschien omslachtig om dit te bewerkstelligen omdat je weinig tijd hebt de instellingen op je camera of flitser te wijzigen. Maar zodra je eenmaal weet waar de instellingen gewijzigd moeten worden zal je hier uiteindelijk geen moeite (meer) mee hebben. In de volgende oefeningen ga je flitsen met snelle en trage sluitertijden, zowel in de Manuele camerastand als de Diafragmavoorkeuze stand.

 

Volgende paragraaf: Aan de slag met oefeningen